Zomerstilte. De warmte is zo tastbaar dat je hem bijna opzij zou kunnen schuiven, als de dekens die ‘s nachts verfrommeld aan het voeteneind eindigen. De lucht verzadigd, drukkend en beurs. Het zou me niets verbazen als de stokrozen, die ik zachtjes opzij duw met mijn ellebogen, grote paarse vlekken zouden achterlaten op mijn huid.
* * *
Het witgeverfde binnenplaatsje. Stinkende gouwe en gras. De motregen maakt het allemaal zo onnoemelijk treurig.
|
Er is niets in het huis aanwezig waaruit ik iets persoonlijks kan afleiden. Zelfs de algemene verzamelingen van boeken of muziek ontbreken. Alleen het aanrecht staat vol met een leger bierflesjes en afwas.
* * *
Een dood kuikentje drijft op z’n kop in het water. Ik duw mijn vingers tegen mijn oogkassen totdat er kleurvisualisaties ontstaan.
* * *
|
Het eiland wordt begrensd door kliffen van rafelig wit papier. De meeuwen hebben zich vermomd als roofvogels. Ze cirkelen geruisloos over de bladzijden, gewapend met broodkorsten als grote gekromde snavels.
* * *
Buiten mij lijkt alles in slow motion te gaan. De schapen als grote boleten in het veld. Daar waar ze beschadigd zijn veroorzaakt het sijpelende water gapende rotte plekken, afgezet met een verontrustende chromatografie.
|